Van de dertien opera's die Benjamin Britten componeerde is 'Owen Wingrave' de voorlaatste en het is steeds wat een vergeten opera gebleven. Dat is gedeeltelijk te wijten aan het feit dat Britten deze opera eigenlijk voor televisie, niet voor het theater schreef: 'Owen Wingrave' werd op voorhand in een studio opgenomen en kreeg zijn première tijdens een televisie-uitzending in 1971.

Britten voelde zich sterk verbonden met het plot van Owen Wingrave want het stelde hem in staat zijn eigen pacifistische overtuigingen naar een groot publiek over te brengen. Het verhaal speelt zich in het Engeland van de belle epoque af en draait rond Owen Wingrave, de laatste telg in een geslacht dat al sinds generaties officieren heeft geleverd aan het Engelse leger. Als Owen zijn intentie bekend maakt om de militaire school te verlaten keert zijn eigen familie zich van hem af maar hij blijft bij zijn overtuiging. Om te bewijzen dat zijn besluit niet uit lafheid maar uit overtuiging genomen werd, beslist hij om een nacht door te brengen in een kamer in zijn landgoed Paramore, waar volgens de legende geesten rondwaren. Wanneer men hem de volgende morgen komt opzoeken, vindt men hem levenloos op de vloer.

In 'Owen Wingrave' flirt Britten met enkele compositietechnieken die een doorgaans minder prominente plaats in zijn oeuvre innemen. Een van de leitmotieven van het werk, op piano en slagwerk, werd geïnspireerd door Indonesische gamelan-muziek, waarmee Britten tijdens een reis doorheen het verre oosten in 1956 bekend raakte. Verder neemt deze opera een stap terug van de meer toegankelijke, dikker georkestreerde toon van het 'War Requiem', Brittens andere, grote pacifistische statement. 'Owen Wingrave' maakt gebruik van twaalftoonstechnieken en de begeleiding wordt spaarzaam maar efficiënt aangewend.

De City of Londen Sinfonia houdt haar begeleiding accuraat en spannend, zeker in de eerste akte. Britten blijft een meester van klankschildering en deze partituur staat dan ook bol van de klankimitaties bij het orkest. Enkele erg mooie soli, zoals de militaire referenties bij het koper, de korte cadenza's waarmee de opera begint of de soli in de hoorn, het instrument dat Owen zelf verpersoonlijkt verdienen zeker vermelding.

De cast presteert zonder uitzondering schitterend. Elke zanger is uitstekend verstaanbaar, zodat het cd-boekje, dat mooi gestoffeerd is en voorzien van een knap libretto, bijna onnodig wordt. Een integere maar heldhaftige Owen Wingrave wordt gezongen door bariton Peter Coleman-Wright, die in zijn lezing een boeiend element van onschuldig idealisme kan brengen. Owens schoolkameraad Lechmere wordt vertolkt door James Gilchrist, die diens personage net naïef en onwetend genoeg op de planken kan brengen. Bariton Alan Opie speelt een wijze en kalme Spencer Coyle, Owens instructeur op de militaire school, die weifelt tussen zijn plichtsbesef als militair en zijn bewondering voor Owen Wingraves standvastigheid. Wingraves senior wordt gezongen door Robin Leggate, die aan het begin van de tweede akte ook de verteller voor zijn rekening neemt. Generaal Sir Philip Wingrave wordt bij hem een wat vermoeide, ondanks zijn hoge leeftijd nog koppige oude heer. Elizabeth Connell verdient evenzeer vermelding met haar vertolking van Owens hysterische tante. Het is zeldzaam om zoveel acteertalent op de opname van een opera te horen. Dankzij een cast als deze en een uitvoering die muzikaal en dramaturgisch nergens teleurstelt is en blijft dit een schitterende opname van Brittens wat vergeten opera, een werk dat het zeker verdient om opnieuw in de belangstelling te komen.

Meer over Benjamin Britten


Verder bij Kwadratuur
  • Helaas geen extra info meer.

Interessante links
Agenda
Concertagenda
  • Geen concerten gevonden.