Georg Pisendel (1687-1755), hofviolist en concertmeester aan het hof van Friedrich Augustus I en II van Saksen en Polen wordt in de geschiedenisboeken vermeld als de grootste violist van zijn tijd ten noorden van de Alpen. Hij schreef muziek maar legde vooral een uitgebreide muziekcollectie aan met werken van anderen.

Die muziekcollectie bestond voor een groot deel uit kamermuziek, een naam die in de barok letterlijk geïnterpreteerd mocht worden als muziek die in de privévertrekken van een heerser uitgevoerd moest worden. De Italiaan Archangelo Corelli zette de toon met vier dozijn 'triosonates', vierdelige composities voor twee melodieinstrumenten en bas(so) continuo. Zijn voorbeeld werd over heel Europa gevolgd, onder meer door de componisten op deze uitgave, wiens triosonates elk hun weg vonden naar Georg Pisendels collectie.

Noch Händels waardige oratoria noch zijn beweeglijke Italiaanse muziek laten veel sporen achter in de triosonate HWV 386a, een betrekkelijk kleinschalig werkje dat hier in zijn Dresdense versie voor viool en hobo opgenomen werd. Dan is een anonieme triosonate voor twee violen en continuo Italiaanser wat stijl betreft, vooral virtuozer dus maar tegelijkertijd harmonisch minder wat interessant. Met de onderschikte begeleidingsrol die de continuo speelt en de dialoog tussen beide violen lijkt het op een miniatuur dubbelconcerto. De triosonate van operacomponist Nicola Porpora is dan weer een prachtvoorbeeld van de gestileerde affecten van de in het midden van de achttiende-eeuw heersende rococostijl.

Vreemde eend in de bijt is een reconstructie van Bachs triosonate BWV 1025 voor twee luiten. Dat is minder gek dan het lijkt want Bachs sonate is op zijn beurt een bewerking van een (sindsdien verloren gegane) sonate voor zulke bezetting van Sylvius Leopold Weiss. Het is een mooi werk maar de twee luiten bezitten een zodanig droge klank dat het stuk maar wat bleekjes overkomt.

De bezetting van deze sonates vraagt om een combinatie van twee melodie-instrumenten en dat zijn vaak ofwel twee violen ofwel viool en hobo. Xenia Löfflers slanke hoboklank neigt meer naar de gepolijste klank van het moderne instrument dan naar het nukkige karakter van de barokhobo. Dat doet haar lezing van de triosonates van Händel en Giuseppe Brescianello slank en gepolijst klinken, met een zuivere articulatie en een lichte manier van spelen.

De continuopartij bezit daarentegen een stevige ritmiek, die nog versterkt wordt door de droge, vinnige manier waarop die hier wordt uitgevoerd. Het feit dat het cd-boekje aangeeft dat twee bassen (en klavecimbel) de continuo voor hun rekening nemen zal daar niet vreemd aan zijn. Barokopnames hebben vaak iets opvallends levendigs en energieks in zich. Deze cd met haar collectie van onbekende, vrij bescheiden werken uit de collectie van een van de grootste vioolvirtuozen van zijn tijd is niet verschillend. Dit blijft ontspanningsmuziek maar dan wel ontspanningsmuziek die zonder meer stijlvol en met plezier uitgevoerd werd.

Meer over V/C


Verder bij Kwadratuur

Interessante links
Agenda
Concertagenda
  • Geen concerten gevonden.