Was de afwisseling op de eerste dag van Jazz Brugge al aanzienlijk, tijdens de tweede werd het spectrum nog wat verder open getrokken: van Scandinavische doelmatigheid tot zuiders temperament met daarbovenop een trio van rasimprovisatoren die hun eigen grenzen nog moeten tegenkomen.

Een kwarteeuw musiceren ze al samen, pianist Georg Graewe, cellist Ernst Reijseger en percussionist Gerry Hemingway. Jonge honden zijn de drie dan ook bezwaarlijk te noemen, maar dat hoeft geen belemmering te zijn om op het scherp van de snee te spelen. Zeker niet wanneer het gaat om muzikanten met de bagage van deze drie. Klassiek, jazz, wereldmuziek of vrije improvisatie, ze hebben het allemaal in het bloed zitten. Niet dat ze het in Brugge stuk voor stuk expliciet lieten horen, maar onderhuids was de muzikale rijkdom niet te houden.

Reijseger begon met miauwende geluiden die door Graewe gecounterd werden met een abstract-thematische passage. Op papier een tang op een varken, maar in de Kamermuziekzaal van het Concertgebouw paste het allemaal perfect in elkaar. Ook Hemingway, als percussionist toch de vreemdste eend in de bijt, zette zich vanaf het begin mooi: zeker met de melodische mogelijkheden van de marimba, maar evengoed met zijn drumset. Goed gericht en gedoseerd kon hij veel meer doen dan louter ondersteunen. Met een schijnbaar oneindige reeks aan nuances in het gebruik van membranofonen en cimbalen - verkregen door het gebruik van net de juiste sticks, maar evengoed door de al even precieze aanslag van het materiaal - vond hij direct zijn plaats.

Daarin schuilde meteen ook de meest opvallende kwaliteit van het trio: de manier waarop de drie blindelings communiceerden was bij momenten verbluffend. Het kleinste manoeuvre van de ene, soms zo miniem dat het voor een luisteraar amper op te merken was, was voldoende om de andere mee op de kar te laten springen. Vaak ging het daarbij zo snel dat het wel leek alsof ze alle drie samen de verschillende stappen zetten.

Zo slaagden ze er in een geluid te organiseren waarin grote breuken vermeden werden. In plaats van haakse bochten te nemen, boetseerden de drie de muziek onophoudelijk van de ene vorm in de andere. Zo kon het ragfijne flageolettenspel van Reijseger, met een zweem van wufte Franse romantiek, naast een rabiaat atonale jazzy pianopartij van Graewe komen te staan. Dat was dan weer het moment voor Reijseger om in het diepere register van de cello te duiken en zo de rol van een contrabas op zich te nemen. De voorspelbare wegen werden echter steevast vermeden, want in een klassieke walking bass had de Nederlandse cellist duidelijk geen zin.

Dergelijke geavanceerde vraag- en antwoordspelletjes waren ook later nog te horen toen een muziekdoosachtige piano door Reijseger aangevuld werd met piepende geluiden. Slepend met de pin van de cello over de vloer leek hij even de strijkersvariant van zijn landgenoot en percussionist Han Bennink. De cellist hield zijn zottigheden echter functioneler, ook toen hij de cello over de knie gooide en het instrument een basgitaar werd. Want hoe leuk het allemaal ook oogde: het geluid bleef duidelijk voorop staan.

Ook Graewe koos duidelijk niet voor de voor de hand liggende oplossingen. Echte clusters doken pas laat in de set op. Daarvoor hanteerde hij een ritmisch beweeglijke pianoklank die ook meer ruimte liet voor zijn collega’s, iets waar vooral Hemingway zijn voordeel mee deed. Net daardoor konden diens reeds eerder aangehaalde muzikale details hun werk doen en won het groepsgeluid nog aan rijkdom. Een rijkdom waarmee het uiteindelijk alle kanten uit kon én ging.  

Die stilistische variatie was duidelijk niet de hoofdbekommernis van het Verneri Pohjola Quartet, het combo van de jonge Finse trompettist dat pas een derde album opgenomen had. Het verschijnen van de plaat is gepland voor binnen enkele maanden, maar de bezoekers van Jazz Brugge konden al kennismaken met het repertoire. Dat bleek aardig in de lijn te liggen van het oudere werk van Pohjola, met brede melodieën die gedragen worden door de ritmesectie waarbij de accenten van drummer Teppo Mäkynen de flow nooit destabiliseerden, maar eerder van kleine prikjes voorzagen.

Het resultaat was een geluid met een wel echt noordelijk aura, koele Scandinavische soul die alle ruimte liet aan de melodie en die bleek bij Pohjola in goede handen. Met een glasheldere klank en een aanzienlijke dosis kracht, klonk hij als een combinatie van Miles Davis en een stevig gerodeerde orkestmuzikant, want buiten een enkele passage waarin het voor afgeknotte trompetklanken koos, zwoer hij bij een opmerkelijk klassiek geluid.

Van veel stuwing in de rug had hij weinig last. Voor aanvallen van achteruit of zelfs in de flank moest hij niet beducht zijn: het was duidelijk rond wie het ensemble draaide. Alleen pianist Aki Rissanen kreeg af en toe wat ruimte die hij dan doorgaans al even monolithisch invulde als de band als geheel klonk. Een keer koos hij voor een ander recept, waarbij hij repetitieve formules in verschillende lagen door en boven elkaar liet lopen. Door daarbij systematisch rustpunten te vermijden, kreeg zijn spel een haast mechanisch karakter, waardoor het afstandelijke van de muziek nog verstevigd werd.

Het resultaat was een set die opvallend afgebakend klonk. Om echt rigide te worden, bleef de muzikale sfeer iets te gemoedelijk, maar wat er op voorhand vastgelegd was en wat ingeving van het moment was, daar had het publiek het raden naar.

Hetzelfde kon eigenlijk gezegd worden van het slotconcert van de tweede dag van Jazz Brugge. Toch speelde Renaud Garcia-Fons met zijn project La Linea del Sur een heel andere set dan zijn Finse collega’s. Hielden deze laatsten de zaak op een haast koele manier onder controle, dan combineerde de Franse meesterbassist zijn overzicht met een zuiders temperament waar net de stukken niet van af vlogen.

Alsof hij de bakens meteen wilde uitzetten trok Garcia-Fons het concert solo op gang met een kronkelende, Arabische melodie die door het springen en dansen van de strijkstok op de snaren vol met kleine ritmische details zat. Daarna evolueerde zijn spel naar razend virtuoze, barokke arpeggio’s om uiteindelijk melancholisch gestreken de weg te effenen voor de moordende riff van ‘Veré’ waarmee de trein dan definitief vertrokken was.

Het La Linea del Sur kwartet liet zich van dan af horen als een perfect geoliede machine die kwistig referenties naar ritmisch scherpe flamenco en meer zangerige ladino in het rond strooide. Louter gezellig werd het echter niet, want onder de oppervlakte knalden vaak duivelse accenten die weinig kans boden om rustig onderuit te zakken. Wie zou moeten dansen op de muziek van deze band, zou op een avondje meer dan een paar schoenen verslijten. Temeer daar de muziek zich zelden in een richting bewoog. In een oogwenk maakten Garcia-Fons en de zijnen een muzikale kwartdraai naar links of naar rechts, waarmee het muzikale kompas van Spanje plots op Zuid-Amerika kwam te staan.

Protserig werd de muziek echter nooit, daarvoor investeerden de muzikanten te veel in de afwerking. Zo mocht de ritmisch spectaculaire flamenco van gitarist Antonio Ruiz pas laat in het optreden helemaal doorbreken, hoewel sporen van “zijn” muziek het geluid al eerder gekruid hadden.

Accordeonist David Venitucci mocht dan weer zijn lyrisch spel bovenhalen, wat voor een aanlokkelijk tegengewicht zorgde, naast de potente drive die op andere momenten domineerde. Eender in welk idioom de band zich bewoog, veel maar dan een cajon, enkele bongo’s en een kleine collectie aan sticks had Pascal Rollando niet nodig om elke situatie van de juiste prikkels en bubbels te voorzien. Net als Hemingway enkele uren eerder (maar dan op een heel andere manier) wist hij zijn rol zodanig in te vullen dat hij meer werd dan een begeleider.

Het La Linea del Sur werd zo een bruisend organisch kwartet dat de stijlen waarmee het speelde, ver oversteeg. Centraal bleef echter duidelijk de bas van  Garcia-Fons staan, maar dat bleek geen muzikale verarming. Hoe zou dat ook kunnen met een muzikant die zowel zangerig als ritmisch gemillimeterd uit de hoek kan komen. Tot in de kleinste details liet hij het bij mindere goden zo logge instrument alle mogelijke bewegingen maken, zonder dat de muziek louter virtuoos werd. Nu eens als een dwarsfluit, dan weer als een duduk of zelfs als een synthesizer klonk hij alleen al als een muzikale kameleon. Reken daarbij de flexibiliteit en de elegante wendbaarheid van zijn bandleden en Jazz Brugge kende, na het trio Graewe-Reijseger-Hemingway een tweede hoogtepunt. En dat op dezelfde dag.

Meer over Jazz Brugge - Dag 2


Verder bij Kwadratuur

Interessante links
Agenda
Concertagenda
  • Geen concerten gevonden.