Van Mahler wordt wel eens gezegd dat hij geen opera's schreef (hoewel hij in lange tijd dirigent van de Weense hofopera was) omdat zijn symfonieën genoeg drama bevatten en als het ware 'opera's zonder libretto zijn'. Dit geldt zeker voor deze zesde symfonie, die van Mahler zelf de bijnaam 'Tragische' kreeg, verwijzend naar het verbeten karakter van de openingsmaten van de eerste twee delen en naar de titanenstrijd die Mahler beschrijft in de meer dan een half uur lange finale. Dit tragische karakter is verbazingwekkend, want deze zesde werd geschreven in een periode van voorspoed voor Mahler, zowel op persoonlijk als op professioneel vlak. Wat sommigen, onder meer zijn vrouw Alma Mahler, heeft doen beweren dat Mahler zijn eigen noodlot – de hartziekte waaraan hij vijf jaar later zou overlijden – al lang op voorhand voelde aankomen. Hoe dan ook, deze uitvoering, door het Philhadelphia Orchestra onder leiding van Christoph Eschenbach, lijkt soms Mahlers zesde symfonie te bekijken als een opera in miniatuur, met verschillende 'scènes', elk contrasterend met een andere. Als extraatje, staat er op de tweede cd Mahlers allereerste compositie: een kwartet voor piano, viool, altviool en cello, gespeeld door dirigent Eschenbach aan de piano en de aanvoerders van het orkest.

Christoph Eschenbach toont veel inzicht in deze muziek en neemt alle tijd om geduldig en precies alle nuances en kleurschakeringen naar boven te laten komen. De mars waarmee het eerste deel opent heeft vlijmscherpe tandjes, met snijdende trompetten en nauwkeurig afgelijnde ritmiek in de strijkers, terwijl het lyrische tweede thema breed wordt uitgesponnen, in al zijn laatromantische klankrijkdom. Wat ook meteen opvalt, is het contrast dat Eschenbach aanbrengt tussen overweldigende tutti passages, waarin het orkest als een blok speelt, en passages met een veel dunnere textuur, waarin hij een grote mate van vrijheid en rubato toelaat als in kamermuziek. Het duet tussen hoorn en soloviool in het midden van het eerste deel is daar een mooi voorbeeld van. Zulke veranderingen van textuur worden heel natuurlijk aangebracht, alsof het karakter van een passage automatisch uit de vorige voortkomt. De plotsheid en het snijdende waarmee het laatste akkoord klinkt, heeft dan weer iets van het dramatische in de slotscène van een opera.

Het eerste deel van een pianokwartet in a klein schreef Mahler toen hij nog student was aan het conservatorium van Wenen, in 1876 of 1877. Het is het enige jeugdwerk dat we van Mahler kennen, en al verwijst de tragische toon al naar zijn latere werken, niet in de laatste plaats deze zesde symfonie, toch kijkt het hele werk eerder terug naar de klankwereld van Brahms en Schumann. Het toont wel al Mahlers compositietalent in de volwassen, melancholische ondertoon en de manier waarop een enkel motief van drie noten het hele werk aan elkaar bindt. Het hele werk wordt met een intimiteit gespeeld die in schil contrast staat met de grootspraak van Mahlers zesde symfonie. Schubert is in dit werk veel dichterbij en Wagner werpt slechts een verre schaduw. Eschenbach, die zelf achter de piano zit, begint het werk met een opvallende tederheid, zowel in de begeleiding als in de melodie.

Christoph Eschenbach laat elke passage uit deze zesde symfonie, hoe verschillend qua karakter ook, mooi tot zijn recht komen en dat is de grote charme van deze uitvoering. De uitvoering van Mahlers pianokwartet is kamermuziek op topniveau, en klinkt bovendien erg intimistisch en melancholisch, een overtuigende reden om deze plaat boven andere te verkiezen.

Meer over Gustav Mahler


Verder bij Kwadratuur

Interessante links
Agenda
Concertagenda
  • Geen concerten gevonden.