Vooruit heeft iets met Finnen. In 2007 nodigde het kunstencentrum een hele reeks Finse (voornamelijk) pop- en rockartiesten uit om voor het festival Etoiles Polaires het mooie weer te komen maken. Op 21 en 22 december jongstelden was het de beurt aan hun jazzgeralateerde collega’s om in het kader van Arctic Accents een editie van de concertreeks Jazz & Beyond Delux te vullen.

Bij een vluchtige blik op het programma werd meteen duidelijk dat het beyond aspect het ruimschoots van de jazz haalde. Nu is jazz, zoals alle muzikale labels, een erg rekbaar begrip waarvan de elasticiteit jaar na jaar meer getest wordt. Dat hoeft op zich niet het grootste probleem te zijn. Strakke grenzen en afgesloten hokjes zijn anno 2011 een zeldzaamheid geworden. Het is daarbij wel de vraag of al dat over de muurtjes gluren garant staat voor een degelijk muzikaal resultaat.

Van alle bands van de de eerste festivaldag dreef K-18 van gitarist Kalle Kalima het verst weg van de bekende jazzpaden. Twee jaar geleden verscheen hun ‘Some Kubricks of Blood’ waarvoor Kalima zich liet inspireren door locaties uit films van Stanley Kubrick. Voor het openingsconcert van Jazz & Beyond Deluxe  pakten Kalima zijn kwartet uit met hun nieuwe project ‘David, Lynch Them High’, waarvoor deze keer personages uit films van David Lynch model stonden: een even compromisloos figuur als Kubrick en dat liet zich in de muziek horen.

K-18 (foto: Maarit Kytöharju)
K-18 (foto: Maarit Kytöharju)
Met gitaar, accordeon, sax en contrabas leent de bezetting van K-18 zich uitermate voor filmische nostalgie en gezelligheid. Kalima had echter andere plannen. Buiten de momenten van vrije improvisatie waren de raakvlakken met de jazz minimaal. Veel meer zocht hij de sfeer op van de moderne gecomponeerde muziek. Nog meer dan voor ‘Some Kubricks of Blood’ was de muziek van ‘David, Lynch Them High’ een moeras waarin de luisteraar van meet af aan wegzonk. Traditionele melodielijnen leken verdampt, waardoor klank- en samenspel de bovenhand kregen.

De kwarttonen van accordeonist Veli Kujala en het doorgaans ontbreken van een vast metrum destabiliseerden de muziek van meet af aan. In plaats van duidelijkheid kwamen muzikale abstractie en een geraffineerd samenspel, waarbij de vier muzikanten elkaar op een voor buitenstaanders moeilijk te volgen wijze aanvulden. In het openende ‘Mulholland Drive’ weefden de vier een dicht polyfoon web, waarbij elke muzikant een unieke, essentiële rol had en zich kon opdringen als de lead. In ‘Laura Palmer’ werd deze benadering overgedaan, maar dan met een minder volgespeeld klankbeeld. 

Voor ‘Lola’ ging de groep nog een stapje verder. Het onvatbare verloop en de amorfe klank plaatsten het geluid van de muzikanten centraal, waardoor de compositie veel meer klanksculptuur dan tune werd. Wanneer er in ‘Bob’ en ‘Eraserhead’ dan toch wat korte, melodische en zelfs catchy hooks opdoken, werden die na het aanbrengen snel gedemonteerd, waardoor de muzikanten, de muziek en de luisteraar meteen weer op avontuurlijk, maar moeilijk begaanbaar terrein belandden. Zo zorgden Kalle Kalima en K-18 voor een heel persoonlijke, maar weinig aaibare aftrap van Jazz & Beyond Deluxe. Veel toegankelijker klonk het tweede optreden waarbij het Brussels Jazz Orchestra te horen was in ‘Agatha’ van de Finse componist Kerkko Koskinen. Voor deze ruim een uur durende suite gebaseerd op de boeken van de Britse schrijfster Agatha Christie, werd het BJO uitgebreid tot een 23-koppige bezetting met toevoeging van drie hoorns, hobo, dwarsfluit, paukenist en percussionist: groots en indrukwekkend, alleen bezweek de muziek meer dan eens onder haar eigen gewicht.

Bij het typeren van Koskinens muziek vallen namen als Igor Stravinsky, Henry Mancini, Miles Davis en Gil Evans. Eerder bombastisch dan indrukwekkend miste Koskinens muziek echter de ironie en de finesse van Stravinsky en de melodische verleiding van Mancini. Daarvoor was het melodische materiaal van de stukken te dun. De korte riffs en motiefjes van enkele noten klonken ongeïnspireerd en werden amper verwerkt, waardoor er weinig meer overbleef dan een knallend orkestgeluid waarbij de verschillende secties van het orkest in stevige blokken aangewend werden.

Met de aanwezigheid van de extra instrumenten en Alex Sipiagin als solotrompettist naast het orkest  knipoogde Koskinen vooral expliciet naar de samenwerkingen tussen Gil Evans en Miles Davis. Jammer genoeg bleek Sipiagin geen Davis en Koskinen geen Evans. De eerste was begiftigd met een krachtige toon en speelde vlot, maar mist de melodische vindingrijkheid en de lyriek van Davis en zocht te snel en te vaak het hoge register op. Koskinen van zijn kant slaagde er niet in die fluit en de hobo te laten opnemen in het totaalgeluid. Waar die bij Evans mooi in het orkestgeluid zinken, bleven ze er bij de Fin op drijven, waardoor ze tot een effect gereduceerd werden.

Van echt op zoek gaan naar frisse klanken was weinig sprake. In ‘Cats and Pigeons’ dunde Koskinen de totaalsound even uit en werden de instrumenten individueler aangewend en in ‘Pale Horse’ was even een wat afwijkende harmonisatie te horen, maar verder dreef Koskinen het zoeken niet. Zo bleef de muziek de hele tijd hangen in een detectieve-actiefilmsfeertje dat onderhoudend was voor een kwartier, maar daarna snel haar zwakheden verried

Aan het Brussels Jazz Orchestra zal het niet gelegen hebben. In het verleden heeft dit orkest al meermaals laten horen heel goed overweg te kunnen met partituren die uitblinken in details en finesse. Dit bleek eveneens in ‘Mr. Dado’ van Bert Joris waarmee het concert bij wijze van ouverture geopend werd. Niet meteen het meest beklijvende werk van Joris, maar de goed getimede terugval van de dynamiek halverwege het thema liet wel horen welke nuances de componist en het orkest in huis hadden. Het contrast met de spectaculaire, maar eendimensionale muziek van Koskinen werd er alleen maar groter door.

Een afsluiter mag gerust al eens wat feestelijker zijn en daarvoor was het oog van Vooruit gevallen op Gourmet: een goedgemutst sextet onder leiding van gitarist Esa Onttonen en saxofonist Mikko Innanen die enkele uren eerder ook al te horen was in K-18. De opmerkelijke bezetting met naast sax en gitaar ook trombone, drums, bastuba en accordeon (Veli Kujala, ook al uit K-18) garandeerde de groep een eigen geluid dat goed doordacht aangewend werd. Niet dat de arrangementen opmerkelijk complex waren, maar de intrinsieke muzikale kwaliteiten verhieven de groep boven de eigenaardigheid. Vooral accordeonist Kujala en tubaspeler Petri Keskitalo maakten het verschil. Niet dat ze naar grote trucs of virtuositeit moesten grijpen, maar hun technische beheersing stelde hen in staat voorbij de clichés van hun respectievelijke instrumenten te reiken.

Gourmet
Gourmet
Zo klonk Gourmet als een perfect geoliede machine die langs rock’n’roll, surf, marsmuziek en oude jazz kon laveren zonder zichzelf of de muziek in kwestie belachelijk te maken. De vergelijking met Bill Frisells ‘Have a Little Faith’ en ‘This Land’ (waarop de Amerikaan in een breed gamma aan Amerikaanse muziek duikt) waren bij momenten best te trekken, al gingen de muzikanten van Gourmet nog een stapje verder. Zonder te ridiculiseren demonstreerden ze een ironie die echter zo mild bleef dat ze zelfs voor fans van het authentieke materiaal verteerbaar was.

Het optreden van Gourmet werd vrijwel integraal gevuld met stukken van hun pas verschenen album ‘Cosmopolitan Sideshow’. Die werden soms in een wat andere bewerking gebracht, waarbij vooral de solistische passages meer ruimte kregen. Toch waren vooral de ongegeneerd meezingbare en na één keer horen  al onvergetelijke melodische thema’s de sterren van de avond. Van de mars ‘Liechtenstein’ (met de tegendraadse basdrumdreunen als knallend vuurwerk dat dwars door een nationale hymne geschoten wordt) tot ‘Jormanuel(le)’ waarin de groep door de vreemde harmonisatie tussen trombone en sax en de kwarttonen van het accordeon zwaar beschonken doorheen zwalpt.

Wat de muziek miste aan zuivere finesse herwon die aan charme en hitgevoeligheid: pretjazz op haar best. Alleen verdween na goed drie kwartier de spanning wat uit het optreden waardoor de speelgoedmagie van Gourmet haar glans verloor. Iets wat op de compactere cd nooit het geval is.

Voor dag twee van Jazz & Beyond Deluxe verschoof de focus van het minifestival richting de elektronische muziek. Vier jaar geleden speelde cellist Arne Deforce tijdens Etoiles Polaires samen met het Finse elektronicaduo Pan Sonic. Op donderdag 22 december werd deze ontmoeting grotendeels herhaald door Deforce te koppelen aan Mika Vainio, de helft van het Finse tweetal.

Het concert was geen snelle ontmoeting tussen twee muzikanten die elkaar van vroeger kennen, maar werd in de dagen voorafgaand aan het optreden urenlang voorbereid. Vainio en Deforce kregen van Vooruit de kans om te oefenen en de vertrouwdheid van de twee muzikanten was gedurende hun hele optreden goed hoorbaar.

Vainio zette het optreden in met een aangehouden, loepzuivere elektronische klank die later door Deforce overgenomen werd, waarna de twee het materiaal begonnen te rekken in hoogte, dynamiek, densiteit en kleur. Geleidelijk aan werd het aanvankelijk gladde, egale geluid ruwer. Deforce zette meer en meer druk op zijn strijkstok of en verschoof zijn actieterrein naar de andere kant van de kam van zijn instrument. Zo leidde hij zijn instrument het domein van het kraken en ruisen binnen terwijl hij door Vainio – die mee het volume van Deforce kon controleren – in sterke dynamische contrasten geplaatst werd.

Mika Vainio (foto: Tommi Gronlund)
Mika Vainio (foto: Tommi Gronlund)
Bij momenten was het bijna niet hoorbaar wie voor welk geluid zorgde, zo goed werden cello en elektronica in elkaar verweven: in de stevigere stukken, maar ook in de zachtere passages, zoals in het tweede deel dat door Deforce met ijle arpeggio’s werd ingezet. In het traag draaien en keren van het geluid bleven de twee elkaar nauwgezet volgen. Zelfs in die mate dat het leek alsof Deforce en Vainio weinig risico’s namen. Toch was het net in het naadloos samenbrengen van het akoestische en het elektronische in een homogeen klinkende soundscape dat duidelijk werd welke klankgevoeligheid de twee afzonderlijk en tezamen ontwikkeld hebben.

Zo werd hun ongeveer drie kwartier durende set geen geluidstrip die bulkte van de opzichtige uithalen, maar een oefening in verfijning die van de luisteraar heel wat engagement vroeg. Wie zich de moeite getroostte van in het begin in het geluid te kruipen, kon moeiteloos meesurfen op de sonore verbeelding van twee muzikanten die elkaar goed aanvoelden. Wie de trein gemist had, krijgt binnenkort een nieuwe kans, want tijdens hun residentie hebben Deforce en Vainio meteen ook een album opgenomen dat volgend jaar zal uitkomen.

Net als tijdens de eerste dag van Jazz & Beyond Deluxe volgde ook op de tweede na de inspanning de ontspanning, dit keer in de gedaante van RinneRadio. Onder deze noemer maakt de Finse saxofonist Tapani Rinne al meer dan twintig jaar muziek, waarbij de elektronica vaak een voorname rol speelt. Op zijn laatste album ‘Pole Stars’ flirt Rinne met de wereldmuziek, waar hij eerder uitstapjes maakte naar ambient en drum’n’bass. Voor zijn optreden had hij aangekondigd het wereldmuziekpad te verlaten en terug te keren naar eerder bezocht terrein.

Rinne legde de weg af met een kwartet met naast hemzelf op tenorsax ook een elektroneut op laptop en twee percussionisten. Vanuit de laptop kwamen de vaak eenvoudige, repetitieve beats en ambient achtergrondgeluiden die het raster vormden waartussen de anderen zich konden bewegen. De slagwerkers bewogen zich echter zo voorspelbaar en braaf binnen de uitgezette lijnen dat hun bijdrages irrelevant werden, zelfs in solistische passages. Rinne zelf had niet meer dan clichémelodietjes in huis die vaak niet meer waren dan korte, herhaalde of licht gevarieerde motiefjes. Van noemenswaardige spanning of opbouw was geen sprake, tenzij in het louter wat luider zetten van de muziek.

Aan gelaagdheid, het ritmisch doorbreken van het strakke kader of onderlinge muzikale communicatie maakte het viertal zich niet schuldig. Bovendien hadden de beats en de productie op de achtergrond meer de allures van Pat Krimson in Carré dan van de techno van Derrick May of het ritmische raffinement van de oude drum’n’bass. Aan bassen echter geen gebrek: door een tamboerijn op de speakers te leggen had Rinne gemakkelijk een van de twee percussionisten kunnen uitsparen. Het had de zaak muziek er zeker niet minder spannend op gemaakt. Misschien zelfs integendeel.

 

Meer over Jazz & Beyond Deluxe


Verder bij Kwadratuur

Interessante links
Agenda
Concertagenda
  • Geen concerten gevonden.